Platform 31 – Van Klimaatakkoord naar de gemeentepraktijk, hoe dan?

Platform 31 – Van Klimaatakkoord naar de gemeentepraktijk, hoe dan?

Platform 31 – Van Klimaatakkoord naar de gemeentepraktijk, hoe dan?

Deelnemers aan het leertraject Energietransitie & Omgevingswet kregen op 12 september 2019 een welkome update op twee fronten: het Klimaatakkoord en het veelbelovende, maar nog relatief onbekende kerninstrument programma.

 

De energietransitie en de invoering van de Omgevingswet zijn veranderprocessen waarin de ontwikkelingen elkaar razendsnel opvolgen. Het Klimaatakkoord en de ontwerp-NOVI zijn gepresenteerd, wetswijzigingen passeren het parlement, energiestrategieën krijgen gestalte en handreikingen, spiekbriefjes en staalkaarten komen in snel tempo beschikbaar.

 

Lees hier het originele bericht

Maarten Engelberts

Maarten Engelberts, als lid van de begeleidingscommissie, droeg bij met presentatie en debat als lid van het VNG-team Invoering Omgevingswet.

Het Klimaatakkoord en de Omgevingswet

Welke procesafspraken zijn er in het Klimaatakkoord gemaakt over de ruimtelijke inpassing en de inzet van de Omgevingswetinstrumenten? Daarover vertelde Gerrie Fenten (ministerie van BZK en betrokken bij het nationaal programma RES) de deelnemende gemeenten meer. 2025 is een belangrijk jaar voor het tijdig realiseren van de elektriciteitsopgave, blijkt uit haar bijdrage. “Het gezamenlijke doel van overheden is om in dat jaar de benodigde omgevingsvergunningen voor de opwek van zon en wind te hebben afgegeven.” Redeneren we terug, dan betekent dat dat de Regionale Energiestrategieën, die uiterlijk in maart 2021 moeten worden vastgesteld, in de komende vijf jaar moeten worden verankerd in omgevingsvisies, omgevingsprogramma’s en omgevingsplannen. “Verankering’ is meer dan copy-paste: het impliceert dat maatregelen vanuit de energietransitie worden afgewogen met andere opgaven en belangen in de fysieke leefomgeving. Dat vraagt om politieke keuzes en het vormgeven van participatie. Kortom, tussen nu en 2025 moeten gemeenten een flink deel van de beleidscyclus doorlopen.”

Hoe verhoudt de Omgevingswet zich tot die andere enorme opgave, namelijk die in de gebouwde omgeving? Fenten: “Welke wijk wanneer van het gas af gaat en naar welke bron overstapt, dat leggen gemeenten vast in de Transitievisies Warmte (TVW). De deadline voor die visies is 2021.” In welk juridisch instrument de TVW wordt verankerd, is op dit moment nog onderwerp van gesprek, in het kader van de wetgevingsagenda van het Klimaatakoord. Als gemeenten, om te voorzien in de warmtebehoefte van gebouwde omgeving, gebruik willen maken van warmtebronnen die buiten de eigen gemeente liggen is vroegtijdige regionale afstemming cruciaal. Deze afstemming van vraag en aanbod op regionaal niveau gebeurt in de Regionale Structuur Warmte als onderdeel van de Regionale Energiestrategieën. In de RSW stemmen gemeenten, provincies en waterschappen de beschikbaarheid van warmtebronnen af op de totale warmtevraag en de benodigde infrastructuur. Hierbij kijken ze niet alleen naar de warmtebehoefte in gebouwde omgeving maar ook naar de behoefte aan warmte bij de glastuinbouw, industrie en landbouw. Indien gemeenten/regio’s voor de gebouwde omgeving gebruik willen maken van elektriciteit is het belangrijk te kijken naar opwek van elektriciteit en infrastructuur die verkend is bij de opgave voor elektriciteit. Omdat de TVW’s en de RSW’s gelijktijdig worden opgesteld, is een iteratief proces noodzakelijk. In de woorden van Fenten: “Je moet meerdere loops doorlopen om beide goed op elkaar af te stemmen.”

De rol van het kerninstrument ‘programma’

Dat instrumenten als de Transitievisie Warmte, de RES/elektriciteit en de RES/RSW input geven voor de gemeentelijke omgevingsvisie ligt voor de hand: ze bepalen immers mede het integrale beleid voor de fysieke leefomgeving. Maar wanneer komt het instrument programma aan bod? Jelle Troelstra (ministerie van BZK) verduidelijkt dat een omgevingsprogramma niet heel anders van aard is dan beleidsplannen zoals we die nu al kennen. “Je zet ze in om beleid uit te werken: van ‘wat’ naar ‘hoe’, waarbij er veelal wordt ingezoomd op één deelgebied of één thema zoals de energietransitie.” Maarten Engelberts (VNG) vult aan dat hoe gedetailleerder de TVW is, hoe geschikter deze is om in een programma te vatten, bijvoorbeeld in een warmteprogramma voor de hele gemeente. Naast de gemeentebrede TVW maken gemeenten uitvoeringsprogramma’s op wijkniveau. Ook dat zijn bij uitstek programma’s in de zin van de Omgevingswet. Dat kan dus prima: twee programma’s voor de warmtetransitie, zolang ze maar verenigbaar zijn.

Hoe zorgen we er daadwerkelijk voor dat deze wijk over acht jaar van het gas af is, zoals in de TVW staat? En hoe benutten we de potentie van zon op dak op bedrijventerreinen? Beiden zijn uitvoeringsvraagstukken waarvoor het instrument programma zich goed leent, omdat je er bijvoorbeeld subsidies en juridische en andere maatregelen in kunt aankondigen en een communicatiestrategie in kunt bepalen. Troelstra en Engelberts geven naar aanleiding van vragen over het nut van het instellen van omgevingswaarden in dit verband het volgende mee. “Als je in je omgevingsplan een omgevingswaarde instelt – zoals een percentage aardgasvrije woningen in jaar X of het percentage dakoppervlak dat benut moet zijn voor hernieuwbare opwek in jaar Y – ben je als overheid verplicht een programma te maken als je de waarde niet dreigt te halen.” “Wij raden aan om alleen met een omgevingswaarde en het daarmee samenhangende verplichte programma te werken als je zeker weet dat je hier als overheid invloed op kunt en wilt uitoefenen en hier bijvoorbeeld ook financieel voor kunt instaan”, aldus Engelberts en Troelstra. Omgevingswaarden binden namelijk primair de overheid zelf.

Pilots gaan laatste fase leertraject in

De acht pilotgemeenten zijn volop bezig met het opdoen van ervaring met de Omgevingswetinstrumenten en werden daarbij op 12 september ondersteund door tal van experts, onder meer vanuit de ministeries van BZK en EZK, de VNG, het Instituut voor Bouwrecht en TNO. Zo verkent de gemeente Goes hoe een programma energietransitie er op wijk- of dorpsniveau uit kan zien en zoekt Zoeterwoude naar manieren om de RES te vertalen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld met een omgevingswaarde en het verplichte programma. Een overzicht van de vraagstukken waaraan de pilots werken is te vinden in deze acht factsheets. In de bijeenkomst op 5 november legden ze hun voortschrijdende inzichten op tafel; op 30 januari 2020 schaven ze die bij in een laatste expertsessie. De eindrapportage volgt in het voorjaar van 2020.

 

 

Provero Congresmagazine 2018 – Pionieren, normaliseren en wegverzinnen

Provero Congresmagazine 2018 – Pionieren, normaliseren en wegverzinnen

Provero Congresmagazine 2018 – Pionieren, normaliseren en wegverzinnen

Wegdromen, wegverzinnen en samen bouwen aan het nieuwe normaal.

Een kleine greep uit de fictie-pot.

Maarten Engelberts

Maarten Engelberts publiceerde “Pionieren, normaliseren en wegverzinnen” in Provero Congres Magazine 2018.

Naar verwachting treedt op 1 januari 2021 de Omgevingswet in werking. Op dit moment experimenteren al zo’n 150 gemeenten vooruitlopend op deze wet met een ‘bestemmingsplan verbrede reikwijdte’. Deze experimenten zijn mogelijk gemaakt via de Crisis- en herstelwet. In deze Chwpool zitten de pioniers. De pioniers die niet kunnen wachten op het nieuwe omgevingsrecht dat aan de horizon lonkt, maar daar nu al stappen in willen zetten. Soms is dat om een gebiedsontwikkeling mogelijk te maken. Soms is dat om actuele omgevingsrechtelijke vraagstukken van een adequaat antwoord te voorzien. Opgaven hangen steeds meer met elkaar samen. Je kunt dan niet altijd meer goed uit de voeten met het huidige instrumentarium. En soms kan het met de nieuwe instrumenten ook gewoon een stuk efficiënter. Met minder onderzoekslasten bijvoorbeeld.

Tijdens het pionieren is het soms afzien. Want hoe werken die nieuweinstrumenten precies? Er moet nog veel worden ontdekt. Het ministerie van Bzk bracht een inspiratiegids uit voor de bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte. Daar kun je af en toe inspiratie uit opdoen. En er zijn ongetwijfeld gemeenten in de omgeving die ook op ontdekkingstocht zijn. Maar toch, er zijn nog geen gebaande paden. Zelfs de olifantenpaadjes door het gras zijn nog niet ingesleten. Zo’n ontdekkingstocht vraagt dus extra energie en creativiteit.

Toch is het om meerdere redenen goed om door te zetten. In de eerste plaats omdat het gewoon goed is om innovatief en creatief te reageren op vraagstukken. Het helpt je om scherp te blijven. In de tweede plaats lonkt natuurlijk het omgevingsrecht aan de horizon. De verbeterdoelen van de Omgevingswet zijn niet mis. Daar wil je nu toch al gebruik van maken?

Bij het maken van de Omgevingswet was een van de kreten op de werkvloer: ‘dit kan worden genormaliseerd’. Of: ‘dit kunnen we wegverzinnen’. Waarom zouden we zaken specifiek in de Omgevingswet regelen als het ook al generiek is geregeld Bijvoorbeeld in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, of de Bekendmakingswet. De inzet van de Omgevingswet is om -daar waar het kan- aan te sluiten bij het generieke bestuursrecht. Zo konden dingen worden ‘wegverzonnen’. Denk daarbij naast allerlei specifieke regelingen – bijvoorbeeld de specifieke delegatiebepalingen als uitwerkingsplichten en wijzigingsbevoegdheden – ook aan de vele ficties in het huidig omgevingsrecht. Bijvoorbeeld de fictie van actief grondbeleid bij de regeling voor grondexploitatie, de ficties van bedrijven en milieuzonering, of de ficties in het planschaderecht. Dat soort ficties zorgt voor ruis in het systeem en niet altijd voor de gewenste uitkomst. In het huidige planschaderecht leidt het er soms bijvoorbeeld toe dat schade die niet wordt geleden wel wordt uitgekeerd en schade die wel wordt geleden niet wordt uitgekeerd. En dat is natuurlijk ongewenst. En dit is nog maar een beperkte greep uit de fictie-pot. Er valt nog veel weg te verzinnen. Ik geef toe, het klinkt wat poëtisch, dat ‘wegverzinnen van ficties’. En toch is het heel reëel. Je kunt er concrete resultaten mee boeken. Bijvoorbeeld het beter beschermen van de leefomgeving, het verbeteren van het vestigingsklimaat, het verbeteren van duidelijkheid en daarmee de rechtszekerheid, de onderzoekslasten verminderen en het hergebruik van informatie over de leefomgeving mogelijk maken. Met zo veel ficties valt er nog genoeg te innoveren. Kortom: zo’n aanpak van normaliseren en wegverzinnen is ook goed denkbaar bij de omgevingsplannen zelf. Het helpt je om te komen tot een omgevingsplan dat de snelheid van de maatschappij kan bijhouden.

Ga aan de slag. Ontdek, pionier, droom weg en verzin weg. En bouw samen aan het nieuwe moraal.

Dat dat moeilijk is, merken we elke dag. Op de gemeentelijke werkvloer bijvoorbeeld als we aan de slag zijn met zo’n bestemmingsplan verbrede reikwijdte. We merken dat ook bij de staalkaarten die we voor de omgevingsplannen ontwikkelen. Het is best moeilijk om los te komen van de bestemmingsplannenwereld als je daar dagelijks in zit. Je moet echt een omgeving creëren waarin je even los kunt komen van de bestaande kaders. Een omgeving binnen – of zelfs buiten – je organisatie waar je kijkt naar wat nodig is in plaats van hoe het altijd is geweest. Een plek waar je stralend mag falen. Waar je mag vallen en opstaan. Kortom: een effectieve leeromgeving. Gun jezelf die ruimte. En gun het ook je managers dat ze jou en je team die ruimte gunnen. Het is namelijk niet onbelangrijk dat je de kansen kan pakken. De omgevingsplannen zijn per slot van rekening toch de plannen waar je de verbeterdoelen van de wet mee kunt maken of kraken.

In zo’n omgeving kun je de stip aan de horizon van het nieuwe omgevingsrecht met de huidige kennis en inzichten in het hier en nu halen. Die stip zal gedurende je ontdekkingstocht vast nog een paar keer veranderen. Het is dus niet meteen mogelijk om een volledige route er naar toe uit te stippelen. Maar je kunt voor jezelf wel scherp maken welke stappen je nu al kunt zetten. Gebruik de ruimte die je daarvoor als gevolg van het Wetsvoorstel afschaffen actualiseringsplicht krijgt. Meld je experiment straks nog eenvoudiger aan via de Transitiewet omgevingsrecht. Denk mee met het ontwikkelen van de staalkaarten. Maar wacht vooral niet.

 

 

Geo-info – De Omgevingswet en geo-informatie

Geo-info – De Omgevingswet en geo-informatie

Geo-info – De Omgevingswet en geo-informatie

De Omgevingswet komt er aan. Aan de hand van de zes kerninstrumenten van die wet kunnen de opgaven in de fysieke leefomgeving het hoofd worden geboden.

 

In dit artikel focus ik op het omgevingsplan en het toenemende belang van geo-informatie daarbij. Ik ga in op de toenemende bestuursrechtelijke sturingsmogelijkheden voor het bereiken van de gewenste omgevingskwaliteit. Geo-informatie is daarbij onmisbaar. Ik ga daar op in door het eindbeeld van het Digitaal Stelsel Omgevingswet te schetsen.

 

Lees hier de digitale versie

Maarten Engelberts

Geo-info publiceerde het artikel ” De Omgevingswet en geo-informatie: een eeneiige tweeling” van Maarten Engelberts in hun editie  2017-2.

Omgevingsplan

Het omgevingsplan kent een andere opzet dan het bestemmingsplan. Het plan maakt de beweging van ‘nee, tenzij’ – bekend van het veelal gedetailleerde bestemmingsplan – naar ‘ja, mits’ mogelijk. In die opzet zijn activiteiten mogelijk, binnen door het omgevingsplan gestelde randvoorwaarden. In het huidige recht wordt veel afgeweken van bestemmingsplannen. De uitzonderingen op de hoofdregel vormen soms impliciet de hoofdregel. De stelselherziening van het omgevingsrecht biedt de mogelijkheid om dit tij te keren, zodat de hoofdregel weer echt de hoofdregel vormt. Dit van uit de gedachte dat globale en flexibele regelingen soms meer rechtszekerheid bieden dan gedetailleerde regelingen, waarbij vooral de bestaande situatie wordt vastgelegd. Rechtszekerheid dankzij flexibiliteit dus.

Rechtszekerheid dankzij flexibiliteit.

Het omgevingsplan kent een bredere reikwijdte dan het bestemmingsplan. In plaats van goede ruimtelijke ordening heeft het instrument betrekking op het volledige domein van de fysieke leefomgeving. Die brede reikwijdte biedt de gemeente de gelegenheid om samenhangende oplossingen te formuleren en sectoren gelijkwaardig aan elkaar te laten functioneren. Dat stelt gemeenten in staat om effectief te reageren op de huidige omgevingsrechtelijke opgaven. Het gaat daarbij zoals bekend veelal lang niet alleen om ruimtelijke ordening, of alleen om milieu, maar om samenhangende opgaven. Denk aan krimpopgaven (bijvoorbeeld voor woningen, kantoren, of detailhandel), binnenstedelijke herstructurering (bijvoorbeeld bedrijventerreinen die via organische gebiedsontwikkeling geleidelijk transformeren naar gemengde woon-werkgebieden) en de energietransitie.

In het voorgenomen Besluit activiteiten leefomgeving is maatwerk generiek mogelijk gemaakt. Dat betekent dat de gemeente veel mogelijkheden heeft om milieuregels in het omgevingsplan op te nemen. Bij het vormgeven van het omgevingsplan is het mengpaneel als ontwerpprincipe gehanteerd (figuur 1). Zoals in de nota van toelichting van het voorgenomen Besluit kwaliteit leefomgeving is opgenomen visualiseert het mengpaneel de mogelijkheden die dit voorgenomen besluit de gemeente biedt om de lokale omgevingskwaliteit normatief vorm te geven. De schuifjes van het mengpaneel vertalen zich in regels die in het omgevingsplan worden opgenomen. Gemeenten worden bij het maken van omgevingsplannen ondersteund door het project ‘handvatten omgevingsplan’ dat op dit moment door het interbestuurlijke programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ wordt opgesteld. Dit project levert voorbeeldregelingen (staalkaarten) voor het omgevingsplan. Gemeenten kunnen aan de hand hiervan voor verschillende gebiedstypologieën en de daarbij gewenste omgevingskwaliteit het mengpaneel voor het betreffende gebied instellen.

Met het mengpaneel stuurt de gemeente op de gewenste omgevingskwaliteit.

Er komen meer bestuursrechtelijke sturingsmogelijkheden om de gewenste omgevingskwaliteit te bereiken. Gemeenten hebben daardoor minder aanleiding om hun toevlucht te zoeken tot actief grondbeleid. Met de stelselherziening worden bestaande wettelijke belemmeringen om ruimte in decentrale regelgeving te creëren weggenomen. Denk daarbij aan onderwerpen als onderzoekslasten, kostenverhaal en nadeelcompensatie. Bij onderzoekslasten wordt ingezet op faseren, hergebruik en versoberen. In de opzet van het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de of- en de hoe-vraag. Of een activiteit ergens mogelijk is moet uit het omgevingsplan blijken. Ook moet duidelijk zijn binnen welke randvoorwaarden de activiteit moet worden verricht. De toets aan die randvoorwaarden (de hoe-vraag) hoeft niet al bij het vaststellen van het omgevingsplan aan de orde te komen, maar kan voorafgaand aan het verrichten van de activiteit worden gedaan. Ook voor kostenverhaal wordt een andere regeling voorgesteld. Die regeling is zo vormgegeven dat niet pas ruimte in lokale regelgeving kan worden opgenomen dan nadat de taxateurs zijn langsgekomen. Ook nadeelcompensatie wordt ingepast in het stelsel. Het huidige systeem van planschade leidt tot de onwenselijke situatie dat schade die niet wordt geleden wel wordt vergoed en schade die wel wordt geleden niet wordt vergoed. Dat systeem is bovendien voorzien van allerlei ficties die een rem zetten op globale regelgeving. Vandaar dat ook dat systeem op de schop gaat.

De inzet van de stelselherziening is om het omgevingsplan zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de generieke bestuursrechtelijke mogelijkheden. Denk daarbij onder andere aan het werken met open normen, zodat de besluitvorming gefaseerd plaats kan vinden. Of denk aan het formuleren van overgangsrecht in het omgevingsplan. Er wordt afgestapt van het standaard in de ruimtelijke ordening toegepaste eerbiedigende overgangsrecht. Dit maakt het mogelijk om het in het milieudomein gehanteerde uitgangspunt van ‘best beschikbare technieken’ te continueren. Daarbij kan een eigenaar gedwongen worden om binnen een bepaalde termijn maatregelen te treffen. Verder kunnen in het omgevingsplan vergunningplichten en meldingen worden geïntroduceerd. Hierdoor ontstaan er meer mogelijkheden om gebruiksruimte te verdelen. Ook kan worden voorkomen dat gebruiksruimte wel wordt geclaimd, maar niet wordt verzilverd.

Al met al nemen de bestuursrechtelijke sturingsmogelijkheden voor het bereiken van de gewenste omgevingskwaliteit mijns inziens aanzienlijk toe. Dat daar behoefte aan is blijkt ook al uit het feit dat gemeenten via de Crisis- en herstelwet in grote getale experimenteren met bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte. Door de stelselherziening kan – met minder onderzoekslasten – beter worden gestuurd op de gewenste omgevingskwaliteit. Het mag duidelijk zijn dat goed inzicht in nog beschikbare gebruiksruimte essentieel is bij het toepassen van zo’n globaal en flexibel omgevingsplan. Zowel de gebruiker als de gemeente zelf willen dat inzicht hebben. Voor het antwoord op die vraag is een digitaal stelsel waarin geo-informatie wordt ontsloten essentieel.

Digitaal Stelsel Omgevingswet

Parallel aan het schrijven van de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsregelgeving wordt een Digitaal Stelsel Omgevingswet (verder: DSO). Met het DSO wordt de Omgevingswet digitaal ondersteund. De doelstelling van het DSO is dat de gebruiker met één klik op de kaart weet welke regels er binnen een bepaald gebied van kracht zijn en daar ook gegevens over de fysieke omgevingskwaliteit kan raadplegen. Die doelstelling is ook opgenomen in het interbestuurlijke bestuursakkoord van 1 juli 2015. Het DSO heeft een juridische verankering in de Ow (art. 20.20 Ow).

met één klik op de kaart – of één tik op de tablet – zien wat mag en wat kan

In eerste instantie zal de focus liggen op ‘zien wat mag’. Op dit moment worden daarvoor standaarden en toepassingsprofielen ontwikkeld. Die stap is nodig om de volgende stap te zetten, namelijk: de gebruiker inzicht geven in wat kan op een locatie. In die stap krijgt de gebruiker antwoord op de vraag of er nog gebruiksruimte beschikbaar is. Om die stap te kunnen zetten is geo-informatie naar mijn mening onmisbaar.

Daarbij moet vanzelfsprekend uit worden gegaan van 3D informatie. Bij het voorbereiden van bestemmingsplannen en afwijkvergunningen wordt nu ook al veel gebruik gemaakt van 3D informatie voor het verrichten van milieuonderzoeken. In verschillende softwarepakketten wordt elk aspect van de fysieke leefomgeving op dit moment vaak nog in een eigen softwareomgeving in beeld gebracht. Vaak wordt voor ieder aspect een eigen 3D model gemaakt. Elk aspect heeft z’n eigen input, (reken)model met reken- en meetvoorschriften en output. Dit tamelijk inefficiënte proces is weergegeven in figuur 2. De milieuonderzoeken worden verwerkt in een 2D verbeelding bij het bestemmingsplan. Dit leidt tot informatieverlies. Ook stedenbouwkundige randvoorwaarden, zoals de maximaal toelaatbare bouwhoogte worden niet in 3D weergegeven. Voor een beperkt aantal milieuthema’s wordt 3D informatie gebruikt voor monitoring. Er ligt hier echter geen directe koppeling met het bestemmingsplan. Ook de initiatiefnemer werkt steeds vaker met 3D gegevens. Een bouwplan wordt door een architect in 3D voorbereid. Ook het werken met BIM modellen wordt steeds meer gemeengoed. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning moeten echter 2D tekeningen worden gegenereerd die worden getoetst aan de 2D plankaart. Vervolgens wordt er steeds vaker weer verder gewerkt met 3D BIM modellen (bijv. voor het beheer van bestaande gebouwen). Dit proces is weergegeven in figuur 3. Opvallend is dat de communicatie tussen initiatiefnemer en gemeente plaatsvindt op basis van 2D informatie. Dit leidt tot informatieverlies. Bestaande gegevens worden niet voldoende hergebruikt. Dit leidt tot hoge onderzoekslasten. In het eindbeeld van het DSO kan 3D informatie worden benut in het planproces, bij de toetsing van aanvragen en de gegevens beschikbaar te stellen voor derden. De doelstelling is om ‘het gat’, zoals weergegeven in figuur 3 op te vullen. Op die manier worden gegevens hergebruikt, ontstaat minder informatieverlies, kunnen mogelijkheden die het omgevingsplan biedt goed voor derden worden verbeeld en kunnen onderzoekslasten worden gereduceerd.

De stelselherziening biedt de kans om de input, het model met reken- en meetvoorschriften en de output voor de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving te harmoniseren. Dit kan nader worden toegelicht aan de hand van figuur 4. Via de blauwe vakjes/lijnen wordt het initiatief voorbereid. Stel een initiatiefnemer wil vijf woningen bouwen. Hij kijkt dan eerst in het omgevingsplan of daar ruimte voor is. Stel dat het omgevingsplan de activiteit wonen mogelijk maakt, mits de geluidbelasting op de gevel bij realisatie van die woningen niet meer bedraagt dan 55 dB(A). De initiatiefnemer zal dan inzicht willen hebben in de huidige geluidbelasting. Dat is in de figuur aangeduid met ‘gegevensverzameling’. Ook wil de initiatiefnemer aan de hand van rekenmodellen en rekenregels zien wat de gevolgen zijn van het initiatief op de geluidbelasting (gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het initiatief zelf). Als output krijgt de initiatiefnemer antwoord op de vraag of er nog gebruiksruimte beschikbaar is. Als dat – zo nodig na aanpassen van het initiatief – het geval is kan een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Dan wordt ‘de groene route doorlopen’. De initiatiefnemer krijgt toestemming voor het initiatief en de gegevensverzameling wordt bijgewerkt.

Voor een goede werking van dit systeem is nodig dat wordt gewerkt met een centraal model waarin gevolgen voor de fysieke leefomgeving inzichtelijk zijn. De BGT die de komende periode wordt doorontwikkeld tot 3D BGT lijkt daarvoor een kansrijke kandidaat. Die 3D BGT moet daarvoor dan verder worden verrijkt met de voor onderzoeken relevante basisgegevens. Zo’n aanpak kan het uitgangspunt vormen bij het schrijven van de reken- en meetvoorschriften als onderdeel van de ministeriële regelingen onder de Omgevingswet. Zo ontstaat optimale synergie tussen omgevingsrecht en geo-informatie. De ideale omstandigheden voor deze eeneiige tweeling om volwassen te worden.

optimale synergie tussen omgevingsrecht en geo-informatie. De ideale omstandigheden voor deze eeneiige tweeling om volwassen te worden

Synergie tussen omgevingsrecht en geo-informatie

Als de in de vorige paragraaf beschreven stappen worden gezet kan de informatie uit het DSO voor diverse functies worden ingezet. Denkbaar is dat door marktpartijen software wordt ontwikkeld waarbij een initiatiefnemer in een realistisch 3D model van de werkelijkheid kan zien wat het effect is van een initiatief op de fysieke leefomgeving. De initiatiefnemer ziet ook het omgevingsplan en krijgt te zien of zijn/haar initiatief past in het omgevingsplan, of daarvoor een vergunning nodig is en/of een melding moet worden gedaan en of er nog gebruiksruimte is. Dergelijke tools kunnen ook goed worden gebruikt bij het voorbereiden van een omgevingsplan. Denk daarbij aan participatietrajecten, het proces van rekenen en tekenen en het verminderen van onderzoekslasten. Ook het monitoren van milieugevolgen kan goed in zo’n omgeving plaatsvinden. En het goede nieuws is: je hoeft niet af te wachten tot dat eindbeeld is gerealiseerd. Je kunt er nu al op die manier mee aan de slag.

De initiatiefnemer ziet in een 3D omgeving of er nog gebruiksruimte is voor zijn initiatief.

Cobouw – Ruimtelijke toets verdwijnt

Cobouw – Ruimtelijke toets verdwijnt

Cobouw – Ruimtelijke toets verdwijnt

Het zal even wennen zijn, maar de technische eisen voor bouwwerken vinden we straks terug in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

 

Maarten Engelberts (ministerie I&M) en Frederike Brouwer (ministerie BZK) brengen helderheid in de komende splitsing van technische en ruimtelijke eisen.

Maarten Engelberts

Cobouw publiceerde het artikel “Ruimtelijke toets verdwijnt” dat Maarten Engelberts werkzaam bij Ministerie I&M samen met Frederike Brouwer.

 

Ministerie I&M Schakeldag 2015 – Omgevingsplan: een kwestie van afpellen

Ministerie I&M Schakeldag 2015 – Omgevingsplan: een kwestie van afpellen

Ministerie I&M Schakeldag 2015 – Omgevingsplan: een kwestie van afpellen

Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplannen, beheersverordeningen en de omgevingsrechtelijke delen van andere verordeningen op een logische en samenhangende manier in één integraal plan.

 

Maarten Engelberts van het ministerie van I&M: “Het helpt gemeenten de inrichting van de fysieke leefomgeving op de lange termijn vast te leggen.”

 

Lees hier het oorspronkelijke artikel op Magazine On the Spot

Maarten Engelberts

Nav Schakeldag 2015 van Minsterie I&M schreef Maarten Engelberts het artikel “Omgevingsplan; een kwestie van afpellen”.

Het omgevingsplan maakt het mogelijk de geldende regels op een locatie beter op elkaar af te stemmen. Zonder dat er een lappendeken ontstaat van allerlei overlappende verordeningen en regelingen. Daarbij kan voor elke regel worden bepaald voor welke locatie die geldt. Dat kan het gehele grondgebied van de gemeente zijn, maar kan ook beperkt worden tot locaties met een woonfunctie of zelfs een enkel perceel. Deze afstemming en bundeling vermindert de regeldruk en gaat versnippering tegen. Afdelingen kunnen niet meer geïsoleerd van elkaar aan hun eigen regeling werken, maar moeten samenwerken, afstemmen en met oplossingen komen.

Ervaringen van gemeenten

Een kleine veertig gemeenten is al bezig met het vormgeven van een omgevingsplan. De gemeenten Veere en Stadskanaal bijvoorbeeld, maar ook grotere steden als Zaanstad en Assen. Engelberts informeerde de deelnemers aan de Schakeldag 2015 over de werking van het Omgevingsplan en de eerste ervaringen met het experimenteren met dit instrument. Het omgevingsplan is één van de instrumenten van de Omgevingswet dat alle gemeentelijke regels voor de leefomgeving in één plan bundelt, legt Engelberts uit. “Met het omgevingsplan is het mogelijk de geldende regels op een locatie beter op elkaar af te stemmen.”

Stapsgewijs werken

“Uit de eerste ervaringen blijkt dat het ontwikkelen van zo’n plan vooral een kwestie is van logisch afpellen”, stelt Engelberts. Allereerst stel je vast of de regeling (deels) betrekking heeft op de fysieke leefomgeving van het desbetreffende gebied. Vervolgens kijk je naar het motief voor de regeling en of er daarvoor al autonome regelingen zijn of regelingen in medebewind. De vierde stap is vaststellen wie het bevoegd gezag is voor in de regeling genoemde instrumenten. En als laatste bepaal je of de regeling relevant is voor het gebied. Alle verordeningen die je na deze afpelexercitie overhoudt integreer je in jouw Omgevingsplan.”

Beter en sneller?

Dat alle regels in het Omgevingsplan appellabel zijn, baarde sommige van de aanwezigen grote zorgen. “Wat is de kans dat zo’n plan de eindstreep haalt?”, wilde iemand weten. Neemt het aantal beroepsmogelijkheden dan niet toe? Dat dit haaks staat op het principe dat alles door de wet beter en sneller gaat, weerlegde Engelberts: “Je rappelleert straks alleen over de wijzigingen.” Maar hoe zit dat met verplichte actualisaties, vroeg een andere aanwezige. Engelberts: “Straks is er geen generieke plicht meer.” Wel zijn er twee prikkels in de wet ingebouwd: “Er is namelijk een inpassingsplicht voor instructies, bijvoorbeeld als de provincie een instructie stelt. En er komt een inpassingsplicht voor omgevingsvergunningen die afwijken van het omgevingsplan. Maar voor de rest: als u vindt dat actualisering nodig is, dan doet u dat.”